Valbeveiliging lijkt overzichtelijk: een harnas, een lijn, een ankerpunt en klaar. In de praktijk zit het risico juist in de combinatie. Een product kan aan de juiste norm voldoen, maar alsnog verkeerd worden gebruikt binnen het systeem.
Op deze pagina lees je wat de belangrijkste normen voor valbeveiliging en werkpositionering betekenen. Zo kun je beter beoordelen welk type product waarvoor bedoeld is en wanneer je verder moet kijken naar passende valbeveiliging voor werken op hoogte.
Persoonlijke valbeveiliging gebruik je wanneer valgevaar niet op een veiligere manier kan worden weggenomen. Eerst kijk je dus naar bronmaatregelen en collectieve beveiliging, zoals een veilige werkvloer, bordes, leuning of hekwerk. Pas daarna komt persoonlijke valbeveiliging in beeld.
Een systeem dat voorkomt dat iemand bij de rand kan komen, is iets anders dan een systeem dat een val opvangt. Werkplekbegrenzing, werkpositionering en valopvang hebben ieder een eigen functie.
Een werkpositioneringsgordel of positioneringslijn is bedoeld om stabiel te kunnen werken met beide handen vrij. Als er vrije val mogelijk is, moet er aanvullend een geschikt valbeveiligingssysteem worden gebruikt.
Harnas, vanglijn, valdemper, connectoren, ankerpunt en valstopapparaat moeten bij elkaar passen. Let ook op valruimte, scherpe randen, pendelgevaar, gebruikersgewicht en de handleiding van de fabrikant.
De fout zit vaak niet in één los product, maar in de combinatie. Een goed harnas met de verkeerde lijn, een laag ankerpunt of te weinig vrije ruimte onder de gebruiker kan alsnog gevaarlijk zijn. Laat systemen daarom altijd beoordelen door iemand met kennis van valbeveiliging.
Hieronder zie je de normen die je vaak tegenkomt bij valbeveiliging, werkpositionering en redding. Zie dit overzicht als uitleg van de productgroepen, niet als vervanging van training, RI&E of de handleiding van de fabrikant.
| Norm | Productgroep | Waarvoor bedoeld? | Belangrijk aandachtspunt |
|---|---|---|---|
| EN 341 | Afdaalapparaten | Gecontroleerd afdalen, vaak bij redding of evacuatie. | Alleen gebruiken met juiste training en passende systeemonderdelen. |
| EN 353-1 / EN 353-2 | Meelopende valbeveiligers | Valbeveiliging langs een vaste of flexibele ankerlijn. | Toepassing en lijnrichting zijn bepalend voor veilig gebruik. |
| EN 354 | Vanglijnen en verbindingslijnen | Verbinding tussen gebruiker en systeemonderdeel. | Een lijn is niet automatisch een valdemper. |
| EN 355 | Valdempers | Absorberen van energie bij een val. | Controleer totale lengte, valruimte en uitscheurlengte. |
| EN 358 | Werkpositionering | Positioneren of begrenzen tijdens werken op hoogte. | Niet bedoeld als zelfstandig valopvangsysteem. |
| EN 360 | Valstopapparaten | Automatisch oprollende valbeveiligers. | Let op horizontaal gebruik, scherpe randen en pendelval. |
| EN 361 | Harnasgordels | Volledig lichaamsharnas voor valopvang. | Gebruik alleen de daarvoor gemarkeerde valopvangpunten. |
| EN 362 | Connectoren | Karabiners, haken en verbindingsmiddelen. | Vergrendeling, belastingrichting en compatibiliteit zijn cruciaal. |
| EN 795 | Ankerpunten en ankerapparaten | Bevestigingspunt voor onderdelen van een persoonlijk valbeveiligingssysteem. | Laat ankerpunten beoordelen, installeren en gebruiken volgens voorschrift. |
| EN 1496 / EN 1497 | Reddingsmiddelen en reddingsharnassen | Ophijsen, laten zakken of evacueren bij redding. | Reddingsharnassen zijn niet bedoeld als normaal valopvangharnas. |
Afdaalapparaten volgens EN 341 zijn bedoeld om een persoon gecontroleerd te laten afdalen. Dat kan bijvoorbeeld relevant zijn bij redding, evacuatie of situaties waarin iemand vanaf hoogte naar beneden moet worden gebracht.
Sommige afdaalapparaten regelen de afdaalsnelheid automatisch. Bij andere systemen wordt de snelheid gecontroleerd door de gebruiker of door een tweede persoon. Omdat fouten direct grote gevolgen kunnen hebben, hoort gebruik van een afdaalapparaat altijd bij een duidelijk reddingsplan en training.
Een meelopende valbeveiliger beweegt mee langs een ankerlijn en blokkeert bij een val. Je ziet dit type systeem bijvoorbeeld bij verticale toegang, ladders, masten of vaste trajecten waar de gebruiker omhoog of omlaag beweegt.
EN 353-1 gaat over meelopende valbeveiligers met een starre ankerlijn. Denk aan een vaste rail of kabelconstructie die onderdeel is van een vast traject.
EN 353-2 gaat over meelopende valbeveiligers met een flexibele ankerlijn. Dit is vaak een verticale veiligheidslijn die bovenaan wordt bevestigd.
Gebruik bij dit soort systemen nooit zelfgemaakte knopen of ongekeurde oplossingen om de lijn te begrenzen. De fabrikant bepaalt hoe de lijn, blokkering, valbeveiliger en bevestiging gebruikt moeten worden.
EN 354 heeft betrekking op vanglijnen en verbindingslijnen. Zo’n lijn verbindt de gebruiker met een ankerpunt of ander systeemonderdeel. Een lijn is niet automatisch geschikt om een val op te vangen.
EN 355 gaat over valdempers. Een valdemper absorbeert energie bij een val en beperkt de kracht die op het lichaam en het systeem komt. In veel valopvangsystemen wordt een vanglijn daarom gecombineerd met een energieabsorber.
De benodigde vrije ruimte onder de gebruiker hangt onder andere af van de lengte van de lijn, het uitscheuren van de valdemper, de positie van het ankerpunt, de lichaamslengte van de gebruiker en de veiligheidsmarge. Bij onvoldoende valruimte kan een gebruiker alsnog de grond of een onderliggend obstakel raken.
Een vanglijn met valdemper mag niet onbeperkt lang zijn. Controleer altijd de maximale totale lengte, inclusief connectoren, zoals de fabrikant die opgeeft.
EN 358 is bedoeld voor gordels en lijnen voor werkpositionering of werkplekbegrenzing. Dit soort systemen helpt een gebruiker om stabiel te staan of om niet bij een gevaarlijke rand te komen.
Werkpositionering is dus niet hetzelfde als valopvang. Een positioneringslijn of heupgordel is niet bedoeld om een vrije val op te vangen. Bestaat er kans op vallen, dan moet er aanvullend een geschikt valbeveiligingssysteem worden gebruikt, meestal met een volledig lichaamsharnas volgens EN 361.
EN 360 gaat over valstopapparaten met een automatisch oprollende lijn of band. Deze apparaten houden de lijn meestal licht gespannen en blokkeren wanneer er plotseling snelheid ontstaat, zoals bij een val.
Valstopapparaten zijn handig wanneer meer bewegingsvrijheid nodig is dan bij een korte vanglijn. Toch zijn ze niet automatisch geschikt voor iedere situatie. Let vooral op horizontaal gebruik, scherpe randen, pendelgevaar en de minimale vrije ruimte onder de gebruiker.
Een harnasgordel volgens EN 361 is een volledig lichaamsharnas voor valopvang. Bij valgevaar is dit de basis van een persoonlijk valbeveiligingssysteem. Het harnas verdeelt de krachten over het lichaam en houdt de gebruiker na een val in een positie waarin redding mogelijk blijft.
Gebruik voor valopvang alleen de aanhechtingspunten die daarvoor bedoeld en gemarkeerd zijn. Punten aan de zijkant van een gordel zijn meestal bedoeld voor werkpositionering en niet voor valopvang.
Connectoren volgens EN 362 zijn de verbindende onderdelen binnen valbeveiliging, werkpositionering, rope access, begrenzing en redding. Denk aan karabiners, veiligheidshaken en andere koppelstukken.
Juist connectoren worden in de praktijk snel onderschat. Let op de juiste vergrendeling, opening, belastingrichting, compatibiliteit met het ankerpunt en het risico op verkeerd belasten. Een connector moet kunnen bewegen zoals bedoeld en mag niet dwars of op de sluiting worden belast.
EN 795 gaat over ankerapparaten voor persoonlijke valbeveiliging. Een ankerpunt is de plek waar onderdelen van het valbeveiligingssysteem aan worden bevestigd.
Een ankerpunt moet geschikt zijn voor de toepassing, de belastingrichting en het aantal gebruikers. Plaats het ankerpunt bij voorkeur boven de gebruiker om valafstand en pendelgevaar te beperken. Houd ook rekening met scherpe randen, hoeken, ondergrond, constructie en instructies van de fabrikant.
Gebruik nooit zomaar een willekeurige balk, hek, steigerdeel of leiding als ankerpunt. Laat verankering beoordelen en installeren door iemand die daarvoor bevoegd en deskundig is.
Valbeveiliging houdt niet op bij het voorkomen of opvangen van een val. Er moet ook vooraf nagedacht zijn over redding. Iemand die na een val in een harnas hangt, moet snel en veilig geholpen kunnen worden.
EN 1496 heeft betrekking op reddingshijsmiddelen. Denk aan systemen waarmee een persoon bij een redding kan worden opgehesen of gecontroleerd kan worden verplaatst.
EN 1497 gaat over reddingsharnassen. Deze zijn bedoeld als onderdeel van een reddingssysteem en worden bijvoorbeeld gebruikt bij evacuatie uit besloten ruimten of moeilijk bereikbare plekken.
Een reddingsharnas is niet automatisch bedoeld als normaal valopvangharnas. Controleer daarom altijd of het harnas geschikt is voor de taak: valopvang, werkpositionering, redding of een combinatie daarvan.
Wil je na deze uitleg producten vergelijken, ga dan naar de categorie valbeveiliging in de Safety Freaks webshop. Daar vind je onder andere harnassen, lijnen, valstopapparaten en toebehoren.
Werk je op hoogte, dan is hoofdbescherming vaak ook relevant. Lees daarom ook onze uitleg over veiligheidshelmen in de praktijk en de belangrijkste helmnormeringen.
Valbeveiliging is bedoeld om een val te voorkomen of op te vangen. Werkpositionering is bedoeld om stabiel te kunnen werken met beide handen vrij. Werkpositionering volgens EN 358 is niet bedoeld als zelfstandig valopvangsysteem.
Een volledig lichaamsharnas voor valopvang valt onder EN 361. Let erop dat je voor valopvang alleen de daarvoor gemarkeerde aanhechtingspunten gebruikt.
Nee. Als er kans is op een vrije val, is alleen een werkpositioneringsgordel niet genoeg. Dan is een geschikt valbeveiligingssysteem nodig, meestal met een EN 361 harnas en passende lijn, valdemper of valstopapparaat.
Ankerapparaten voor persoonlijke valbeveiliging vallen onder EN 795. De geschiktheid hangt af van het type ankerpunt, de constructie, de belastingrichting, het aantal gebruikers en de installatie.
Nee, valbeveiliging moet alleen worden gebruikt door mensen die weten hoe het systeem werkt en ermee geoefend hebben. Verkeerd gebruik kan net zo gevaarlijk zijn als geen valbeveiliging gebruiken.
Gebruik het systeem niet opnieuw alsof er niets is gebeurd. Onderdelen die een val hebben opgevangen moeten direct buiten gebruik worden genomen en volgens de instructies van de fabrikant worden beoordeeld, geïnspecteerd of vervangen.
Gebruik deze normuitleg als basis om gerichter te kijken naar harnassen, lijnen, valstopapparaten, connectoren en ankerpunten. Controleer altijd of de onderdelen samen één passend systeem vormen.